14 mei, 2007

Herdenking 14 mei, deel 3

H.J.A. Hofland
Rotterdam, 14 mei.

Rotterdam herdenkt vandaag het Duitse bombardement van 14 mei 1940. Ooggetuigeverslag van het einde van een ongeschonden stad.
Nog weken, misschien wel maanden nadat op 14 mei 1940 het centrum van Rotterdam door de Duitse Luftwaffe in een puinhoop was veranderd hebben de openbare electrische klokken op een paar minuten voor half twee gestaan. Het ogenblik waarop de stroom uitviel. Tientallen jaren later stond ik op de Westersingel op de hoek van de Nieuwe Binnenweg, bij het Eendrachtplein te wachten om te kunnen oversteken. De klok aan de overkant wees even voor half twee. Het verkeer raasde voorbij. Louter door de stand van de wijzers werd ik plotseling teruggevoerd naar de dag van het bombardement. Daar verderop in de Oude Binnenweg had de brand geloeid, hier op dit kruispunt waren stromen vluchtelingen naar het Land van Hoboken getrokken. Daar was mijn stad in vlammen tenonder gegaan. Een golf van woede sloeg door me heen. Waarom had ik dit nooit eerder gevoeld?


In Frankrijk is vorig jaar de laatste veteraan van de Eerst Wereldoorlog gestorven, een soldaat van 104 die nog betrekkelijk samenhangend over de loopgraven kon vertellen. Door de vaderlandslievende Fransen werd hij gekoesterd. Nu resten alleen de kerkhoven, de talrijke monumenten, de musea en de kalender met de grote gebeurtenissen die verder vervagen in de tunnel van het verleden. Langzamerhand, zonder het te beseffen, ben ik, geboren in 1927, gaan horen tot de laatste generaties die het Rotterdam van de oorlog hebben meegemaakt. Pas sinds dat ogenblik op de hoek van de Westersingel ben ik me gaan afvragen hoe het komt dat de stad geen spoor van een herdenking heeft gehad. Ja, we hebben Ossip Zadkine’s beeld, Verwoeste Stad, onthuld in 1953. Als de directie van De Bijenkorf niet op het idee was gekomen, dit geschenk te geven, hadden we dan iets anders gehad? Een monument? Een zuil? Als er op de veertiende mei al een plechtigheid was geweest, dan zou die daar, bij de Geschonden Stad moeten plaatsvinden. Maar kennelijk heeft niemand eraan gedacht.

Komt het doordat Rotterdam vóór alles als een werkstad wil worden gezien? Kort na het bombardement verschenen de eerste ramptoeristen. Ze waren niet welkom. Er waren Rotterdammers die naar Den Haag gingen om te winkelen. In de stad verschenen borden met de tekst: ‘Jaagt de wind in de zeilen! Besteedt uw geld in eigen stad!’ Puin ruimen was de boodschap. Van het puin werd een schiereiland in de Kralingseplas gemaakt, een kunstmatige heuvel aan de Ringvaartweg. En duizenden zorgvuldig afgebikte bakstenen hebben voor de bouw van een nieuwe stadsschouwburg gediend. Die schouwburg is veel later weer afgebroken.

Een paar maanden na het bombardement lag het eerste plan voor de wederopbouw op tafel, het Plan Van Traa. Dat is later vervangen door het Plan Witteveen. Als bevestiging van de veerkracht werden aan de Jongkindstraat, de Mathenesserlaan, de Goudsesingel noodwinkels gebouwd, die daar nog tot jaren na de oorlog hebben gestaan. In Rotterdam werd niet de vernietiging herdacht maar de reconstructie gevierd: Wederopbouwdag, Havendag. Al ruim na de oorlog kwam er een tentoonstelling, Rotterdam Ahoy, met als kunstzinnige attractie de Muur van Energie. De Rotterdammers waren trots op hun Lijnbaan van de architecten Van den Broek en Bakema. De eerste autoloze winkelgalerij. Herdenken deden en doen we nationaal, op de avond van de vierde mei, met twee minuten stilte.

Een jaar of tien, misschien vijftien geleden begon het op te vallen dat jongere generaties, d.w.z. mensen die enige tientallen jaren na de oorlog waren geboren, de betekenis van deze twee minuten, de 120 seconden brandende straatverlichting en het luiden van de klok op de Waalsdorpervlakte niet meer begrepen. Een aardiger manier om te zeggen dat ze dit gedoe aan hun laars lapten. Eén blik op straat was en is genoeg om je je daarvan te overtuigen. Het verkeer gaat door. Er kwamen commissies die zich verdiepten in de vraag hoe de herdenking kon worden gemoderniseerd, hoe de ‘zingeving’ voor het hele volk kon worden teruggebracht. De resultaten zijn niet opzienbarend. Het verkeer rijdt verder.

Ik verzet me tegen deze onverschilligheid. Maar waarom?

Ik breng geen rangorde aan in mijn motieven omdat ze onderling onvergelijkbaar zijn. De enige overeenkomst is dat ik erdoor word bewogen, hoewel op uiteenlopende manieren.

Het ongeschonden Rotterdam is de wereld van mijn vroege jeugd. Ik was trots op mijn stad zoals alleen een kind trots kan zijn. Wij hadden de grootste gegraven haven ter wereld, de Waalhaven. De Holland Amerika Lijn met de hypermoderne Nieuw Amsterdam die ik te water heb zien laten. De prachtige Bijenkorf van Dudok, dat indrukwekkende gele gebouw met zijn slanke toren. We hadden de Passage met een speelgoedwinkel, Sinderam, waarin de meest begerenswaardige schatten te koop waren. Het vliegveld Waalhaven met de Koolhoven fabrieken waar de beste gevechtsvliegtuigen werden gemaakt, de FK 52, beter dan de D 21 van Fokker in Amsterdam. De mooiste, de snelste trams van Nederland. En we hadden Bep van Klaveren, wereldkampioen boksen vlieggewicht. Ik woonde in een superieure stad.

Als je een jongen van een jaar of tien was, ging je de wereld verkennen. Ik woonde dichtbij de ’s Gravenweg, die zich verlengt in de Oudedijk, toen een van de toegangswegen tot het oude centrum. In de jaren dertig reden daar nog veel sleperswagens, vrachtkarren getrokken door een of twee paarden. Mijn vriendjes en ik renden achter zo’n wagen aan, wipten met een sprongetje op de platte laadruimte en lieten ons vervoeren. Naar de Vlietlaan, Goudserijweg, Veemarkt, Lange Warande, Goudsesingel, Pompenburgsingel, de Meent. Waar zo’n kar heen ging. Rotterdam was een romantische stad, vol boeiende raadsels. Sluit ik mijn ogen dan kan ik aan de binnenkant van mijn oogleden een film afdraaien. Ik zie de molen op het Oostplein, de Marinierskazerne, bakker Beiderwellen, het Groenendaal met, waar de tram een scherpe bocht maakt, een groot reclamebord tegen de gevel. Een varkentje staat voor de klas en wijst met zijn stok een tekst aan: ‘Jongens, pas op. Schoenenmagazijn de Ossenkop.’ In de Hoofdsteeg was een winkel met antieke wapens. Op de Grote Markt stond in een étalage een duikerklok. Rotterdam had alles wat een kleine jongen interesseerde.

In september 1939 ging ik naar de middelbare school, het Rotterdamsch Lyceum aan de Pieter de Hooghstraat. Dit betekende zes maal per week een stadsreis van oost naar west, en terug, met twee trams, lijn 5 en lijn 10, overstappen op het Beursplein, een poëtische stadsoase overschaduwd door oude lindebomen. Ik bewonderde de Beurs, het grote, bijna zwarte gebouw. Daar wachten op de tram was een plezier. Er stond een kiosk waar ik De Vliegwereld kocht. Er was ook een fonteintje, de Vier Gratieën in gietijzer, donkergroen geschilderd. En een prachtig wachthuisje. Dan ging de reis verder langs de Blaak, linksaf over de Schiedamsedijk met aan beide kanten voornamelijk café’s.

Dat was mijn wereld, tot de tiende mei 1940. Die dag stond ik ’s ochtends om een uur of zes in mijn pyama op straat naar de vliegtuigen te kijken. Oorlog. We luisterden naar de radio. Al vlug was het duidelijk dat het er niet goed uitzag voor het vaderland. Op het vliegveld Waalhaven waren parachutisten geland, watervliegtuigen op de Maas. Maar zo gaat onder dergelijke omstandigheden. Terwijl op sommige plaatsen gevochten, verwoest, gesneuveld wordt, blijft ergens anders de oorlog wel een angstaanjagend maar voornamelijk theoretisch gegeven. Laat in de middag van de derde dag verscheen in mijn buurt een peloton mariniers. Eén marinier vatte post in onze portiek. Met zijn geweer schoot hij op Duitse vliegtuigen. Terwijl hij daarmee bezig was, bracht mijn moeder hem een bord warm eten.

De radio bracht de berichten van de Luchtwachtdienst. Op de veertiende mei werd gemeld dat eskaders bommenwerpers in de richting van Rotterdam vlogen. ‘We gaan in de kelder zitten,’ zei mijn vader. Daar hoorden we het zware geronk naderen, toen een gefluit en het volgende ogenblik zag ik de vloer van de kelder golven. ‘Eruit!’ riep mijn vader. Over het tuinpad renden we door een stofwolk naar het onbebouwde stuk land waaraan de tuin grensde. Daar zag ik de Heinkels 111. Ze vlogen laag en langzaam. Op hun doje gemak, heb ik later gedacht. Ze hadden niets te vrezen. Afweergeschut was er niet meer, de Koninklijke Luchtmacht was in zijn geheel neergeschoten of op de grond vernietigd. De bemanning van deze 95 bommenwerpers heeft ongestoord, in koelen bloede mijn stad vernietigd.

Nu hebben we de nauwkeurige reconstructies, van L.de Jong en J.L.van der Pauw, onder anderen. We weten dat het Duitse opperbevel bij Rotterdam een doorbraak wilde forceren. Er is zelfs sprake van een tweede bombardement geweest. En als de verwoesting van Rotterdam niet voldoende zou zijn om Nederland te doen capituleren, zou Utrecht volgen en daarna Amsterdam, Haarlem en Den Haag. Dat was de strategie van Hitler en Göring. Vóór de bommen op Rotterdam vielen, heeft zich een drama van aarzelingen en misverstanden afgespeeld. Op de ochtend van de veertiende tussen negen en tien uur verscheen er een delegatie van drie Duitse militairen met witte vlaggen op de Willemsbrug. Ze hadden een brief bij zich voor de burgemeester, mr.P.J.Oud. Een van de onderhandelaars werd om half elf ontvangen door de militaire commandant, kolonel P.W.Scharroo. In de brief, die niet was ondertekend, werd met ‘volledige vernieling van de stad’ gedreigd als de weerstand niet binnen twee uur zou worden gestaakt. De overste J.J.C.P.Wilson, gemachtigde van generaal H.G.Winkelman, de opperbevelhebber, vond het ‘een waardeloos document’.

Intussen werden op de bases bij Bremen en in Westfalen de laatste voorbereidingen voor de start van de negentig bommenwerpers getroffen. De bevelhebber van de Duitse troepen, generaal R.Schmidt, besloot om twaalf uur tot uitstel van de aanval. Hij kreeg de indruk dat aan Nederlandse kant ernstig over de capitulatie werd nagedacht. Er werd een voorziening getroffen: als de luchtaanval zou worden afgelast, zouden op het Noordereiland rode lichtkogels worden afgeschoten. Er zijn er een paar de lucht in gegaan, maar die werden niet gezien, of het was te laat. Onder bevel van overste Walter Lackner had de eerste aanvalsgolf de stadsgrens bereikt, en bombardeerde, van Kralingen tot het Hofplein.
Niet lang nadat het bombardement voorbij was, werd het duidelijk dat er een ramp was aangericht. De hemel in het Westen verduisterde. Over de ’s Gravenweg trok een eindeloze rij vluchtelingen de polder in. De buren vertrokken ook, in de auto. Mijn vader en moeder en ik mochten mee. Bij een tuinder vonden we onderdak. Er waren nog meer kinderen. Het was een grote tuinderij met een lorrie die op rails reed. Daar hebben we nog leuk gespeeld, tot we binnen werden geroepen. De radio stond aan. Nederland, zei de omroeper, heeft gecapituleerd. Op dat ogenblik heb ik mijn vader voor het eerst en het laatst zien huilen.

Het werd donker. De hemel in het Westen werd nu flakkerend rossig verlicht door de brand. We gaan terug, zei mijn vader. Want straks komen de plunderaars. Die avond, tegen een uur of elf waren we weer thuis. De volgende dag ging ik kijken op de plaats waar de bom was ontploft, zes huizen verder in noordelijke richting. Daar voor de deur hadden twee militaire vrachtauto’s geparkeerd gestaan. De ene lag op zijn kant, de andere ondersteboven. Het huis was een ruïne. Duidelijk was te zien dat de vloer van de kelder tegen het plafond was gedrukt. Als dit vliegtuig zestig meter verder noordelijk had gevlogen, wat dan? Het huis is zorgvuldig herbouwd. Alleen aan de kleur van de baksteen is te zien dat het veel jonger is.

Later, ver na de oorlog, wilde ik overste Walter Lackner, of de piloot en de bommenrichter van dit vliegtuig graag spreken. Niet met de bedoeling, rekenschap te vragen, niet om ruzie te maken. Louter om te informeren of ze toen hadden beseft waaraan ze daar veilig en hoog in de lucht aan bezig waren. Iemand die bombardeert, of het bevel tot een bombardement geeft, zou zich eerst zelf moeten laten bombarderen.

Kinderen ervaren de oorlog anders dan volwassenen. Dat blijkt telkens weer. Een jaar of tien geleden in Joegoslavië en nu weer in Irak. Zolang ze niet zelf direct getroffen worden, zolang ze hun familie hebben en hun huis ongeschonden blijft, slagen ze erin, de oorlog in hun dagelijks leven op te nemen. Ze gaan ‘oorlogje spelen’, ze tekenen vliegtuigen, geweldige kanonnen, wonderwapens, ze laten op een andere manier hun verbeeldingskracht de vrije loop, ze vinden dat normaal. Pas veel later, als ze groot zijn geworden, zullen ze beseffen dat ze ‘oorlogskinderen’ zijn geweest, en dat dit verleden de essentiele eigenschap van hun generatie is.

Na het bombardement kwamen de Duitsers. De volgende dag kregen we een militair ingekwartierd, een luitenant Zuklampen. Mijn moeder had medelijden met hem, mijn vader weigerde een woord met hem te wisselen. Hij bleef drie dagen, moest toen verder, naar Frankrijk. Hij vertrok terwijl de familie nog sliep, liet op tafel in de woonkamer een roos achter. Hoe absurd kan de oorlog zijn? Je kameraden verwoesten een stad, je moeder krijgt een roos van de vijand.

Niet lang, misschien een paar weken na het bombardement begon de school weer. De ruïnes smeulden nog, trams reden niet meer, er werd al puin geruimd. Ik ging op de fiets, over de Oostzeedijk langs het verwoeste deel van Kralingen waar alleen de muren nog overeind stonden. Langs de Oosterkade, en dan kwam ik aan de Boompjes. Ik fietste door de geuren van de verwoeste stad. Oververhit steen heeft een eigen aroma, alleen herkenbaar voor wie het zelf geroken heeft. Gemengd met de geur van de brand, de stank van verrotting, lijkenlucht. Aan de Boompjes waren koffiepakhuizen verbrand. Het nablussen duurde voort. Daar fietste ik door plassen koffie die de Maas instroomden.

De bezetting kreeg een eigen regelmaat. De oorlog werd normaal. De Duitsers waren de baas, de voetbalcompetitie werd hervat. ’s Nachts trokken de Engelse vliegtuigen over, op weg naar het Ruhrgebied; na 1941 vlogen de Amerikanen op klaarlichte dag, een paar honderd Vliegende Forten, hoog in de lucht, witte strepen trekkend. Op Woudestein, voetbalveld van Excelsior, werd een batterij afweergeschut neergezet. De kinderen gingen naar school, maakten hun huiswerk, gingen over of bleven zitten. Op de hoek van de Oudorpweg en de ’s Gravenweg liet de NSB’er L.Gilet, directeur van de toffeefabriek Gilda en heerbanleider van de WA, een huis bouwen. Op een mooie zomerzondagmiddag nam hij daar, staande op zijn terras, de Hitlergroet brengend, een défilé af. De runentekens die hij in de gevel had laten metselen, zitten er nog.

Na 6 september 1944, Dolle Dinsdag, brak in de oorlog geleidelijk een nieuwe periode aan. De Hongerwinter. Eerst kwam de spoorwegstaking, toen verdween alle openbaar vervoer, de telefoon deed het niet meer, de scholen werden gesloten. Op 11 november hielden de Duitsers hun grote razzia. Ik zat verborgen in een geheime plaats onder het dak. Na een etmaal of drie had ik er genoeg van. Een paar dagen later waagde ik me ook weer buiten. De bezetter had kennelijk andere dingen aan zijn hoofd dan het vangen van jongens van een jaar of zeventien. In Rotterdam was de anarchie begonnen.

Ik had vier goede vrienden, Hans, Kees, Hans en Albert. De ene Hans, jood, en zijn hele familie wisten bijtijds naar Engeland te ontkomen. Eind mei 1945 stond hij plotseling bij ons op de stoep, in uniform. Hij had aan de Invasie meegedaan. En hoe merkwaardig dit nu ook mag klinken, wij, de andere vier, hebben van december 1944 tot mei 1945 het meest ongebonden leven geleid dat een puber zich kan voorstellen. Uit de Gemeentebibliotheek leenden we de boeken van de Italiaanse criminoloog Lombroso die dacht dat bepaalde schedelvormen op een aanleg voor misdadigheid wezen, en we maten onze familie op. In huizen die door Rijksduitsers of NSB’ers waren verlaten, braken we in. We zwierven door de vlakte van de verwoeste stad. We deden opgravingen bij de toren van de Sint Laurens waar de resten van een kerkhof lagen. Kees nam een dijbeen mee naar huis, ik ontdekte een gaaf schedeldak. We werden verliefd en maakten gedichten voor onze meisjes. We zagen de gruwel van door de Duitsers doodgeschoten gijzelaars aan de Honingerdijk bij de Hoflaan. Om zes uur moesten we binnen zijn, dan begon de avondklok van de bezetter.

Zou dit alles herdacht moeten worden? De oorlog werd bewaard in het collectief geheugen van honderdduizenden Rotterdammers van wie de verreweg meesten nu gestorven zijn. De oorlog leefde voort in hun ontelbare verhalen. Veel daarvan is vastgelegd. We hebben de zorgvuldige reconstructies van Dr.L. de Jong, Van der Pauw en talrijke andere tijdgenoten. Maar het collectief geheugen, deze verzameling van de miljoenen herinneringen aan de geleefde werkelijkheid verdwijnt in steeds hoger tempo. Mijn vrienden van toen zijn dood. Het collectief geheugen aan het Rotterdam van voor de oorlog, en aan de stad van het bombardement tot aan de Bevrijding wordt nu snel ongrijpbaar.

Misschien, heb ik wel eens gedacht, zou de tiende mei tot dag van nationale herdenking moeten worden uitgeroepen, omdat toen in 1940 het Nederland dat anderhalve eeuw met succes neutraal was gebleven, volstrekt onvoorbereid en zonder aanleiding of oorzaak weer in de wereldgeschiedenis werd gesleurd. De climax van dit drama heeft zich toen vier dagen later aan Rotterdam voltrokken. Het drie tot vier eeuwen oude centrum werd vernietigd door een luchtaanval die hooguit twintig minuten heeft geduurd. Bij de aanval en de brand hebben ongeveer 850 mensen het leven verloren. In totaal is een oppervlakte van 258 hectare verwoest. Ongeveer 79.600 mensen werden dakloos. Het bombardement is niets anders dan een bij verrassing gepleegde gigantische oorlogsmisdaad.
Er zijn foto’s van de brand, van een afstand uit westelijke richting genomen. Op de voorgrond het Land van Hoboken, met verspreide groepjes vluchtelingen en dan achter de bomen en een paar gevels van de Jongkindstraat wordt het beeld in beslag door infernale rookwolken. Er is ook een foto waarop een klein aantal mensen op een dak naar dat tafereel staat te kijken, keurig geklede burgers. Wat hebben ze bij die verbijsterende aanblik gedacht, wat hebben ze tegen elkaar gezegd? We zullen het nooit weten. Toch horen hun gevoelens, hun woorden ook tot de geschiedenis.

Nu, 67 jaar na de katastrofe is de Brandgrens vastgesteld. Nu kunnen we ons in ieder geval het oppervlak van de verdwenen stad voorstellen. En we hebben de herrezen Sint Laurenskerk en toren. En de foto’s en films van wat zich toen heeft voltrokken. Herdenken heeft zin, het is een essentieel onderdeel van het historisch besef. Het helpt aanzienlijk als we ons bij de plechtigheid een concrete voorstelling kunnen maken. Dat is de Brandgrens. Nu nog een datum. Dat is de veertiende mei.
14 mei 2007

Straks ga ik naar de forumdiscussie in de Laurenskerk n.a.v. bovenstaande publicatie. Al ben ik van 1955, toch herken ik ontzettend veel in Hoflands verhaal. Ik woonde eveneens in Kralingen, zat ook op het Rotterdamsch Lyceum en de beschrijving van plekken in de stad doet mijn hart sneller slaan. Ook ik ben trots op mijn stad en vind het noodzakelijk dat er herdacht wordt.
Dat kan ik niet rationeel verklaren, het zit gewoon in mij.

Geen opmerkingen: