31 december, 2008

Oud-en nieuw

**********************************
Lieve lezers en lezeressen,

Vanuit een (dankzij elektrische kachels en open haard) dampend Zeeuws onderkomen wens U alle goeds voor het nieuwe jaar.

Dat uw wensen, plannen en voornemens maar mogen uitkomen.

Wees vanavond voorzichtig met vuurwerk!
Er zijn meer alcoholcontroles dan gewoonlijk en het mist. Althans, hier wel.

Tot in 2009!!!!

Take care,
Ellen

30 december, 2008

All the Presidents Wives 16


Harriet Rebecca Lane Johnston

Born: May 9, 1830
Mercersburg, Pennsylvania

Father:
Elliot Tole Lane (1784-1840)
Mother:
Jane Buchanan Lane (1793-1839)
Siblings:
Four brothers and one sister
Physical Description:
Tall, blonde (almost ash colored), with violet-blue eyes, a full bosom and figure, and very regal in bearing and a good dancer. She would become a very handsome older woman with snow-white hair.

Religion:
Episcopalian
Education and childhood:
Having lost both her parents within a year of one another, Harriet Lane came to live with "Nunc" as James Buchanan was called by his ward. As a child, she was rather gawky, wild, and more prone to climb trees than to read books, something that alarmed her rather stoic guardian. He would see to it that she received a good, sound education, which turned her into a genteel, proper lady. Call "Hal," by the future president, Harriet became his closest confidante. She moved into his home in Lancaster, Pennsylvania, where he even provided her with her every need, even with a piano. Harriet was sent to a day school run by Miss Young and later to Miss Crawford’s Boarding School, which she disliked so much that her uncle placed her in a boarding school in Charlestown, Virginia (later West Virginia). When Buchanan became Secretary of State under James K. Polk, he placed Harriet in the highly regarded Georgetown Visitation Convent, where she finished her education and graduated in 1848.
Personality:
Cheerful, playful and generous to a fault, Harriet Lane was popular and admired for both her looks and spirits. Although she was already in love with her future husband, Henry Elliot Johnston, Harriet delayed her marriage so she could help her bachelor uncle. James Buchanan had purchased a large house and lands around it called Wheatland, and Harriet Lane served as his hostess. With her love of dancing, music and receiving people, Harriet was an asset to her uncle.
Life before White House:
(1848-1857): By the time Harriet was twenty-two, she was an accomplished hostess. With the election of Franklin Pierce in 1852, Harriet Lane’s beloved "Nunc" was named American Minister to Great Britain. Harriet joined Buchanan in London in 1854, where she was presented to Queen Victoria and Prince Albert. Her presentation was so correct and performed so flawlessly that the Queen decreed that Miss Lane be accorded the same respect due a wife of an ambassador. She would become a regular in Court circles. While in England, Harriet acquired a life-long love for art. She began collecting works of art. Her interest in Native American art led her to take more interest in the cause of Native Americans. Upon their return to America, Buchanan found himself elected to the presidency. He turned to his niece to serve as official hostess.
The White House:
1857-1861. Harriet’s brother, Elliot Lane – who served as James Buchanan’s secretary, died of a fever in April 1857. Once the mourning period ended, Harriet Lane’s term as First Lady would be one of light, music, and beauty. She was young, beautiful, and extremely popular. Dances, waltzes, songs, colors, ships, and other items were named for her. She was highly visible and always at her uncle’s side. She and her uncle made full use of the conservatory put in by President Pierce.
In 1860, the Prince of Wales (later King Edward VII) arrived in the United States and was received at the White House. There was music for the royal guest but no dancing, because it had been banned since the Polk administration. The bedroom the Prince used (and where Willie Lincoln died in 1862) was long afterwards referred to as "The Prince of Wales Room". The royal visit was a great success.
Harriet Lane joined a movement to start a national art gallery. She also spoke on the cause of Native Americans. Among the many honors given to her, none pleased her more than having the song, "Listen to the Mockingbird" dedicated to her. Her only error in judgment was when she invited friends on board the USS Harriet Lane for a party, only to be sharply reprimanded by her angry uncle and press since the ship was government property.
Harriet Lane loyally defended James Buchanan against criticism. Towards the end of her time in the White House, Harriet could look back on four eventful years.
Husband:
Henry Elliot Johnston (died 1884)
Courtship and Marriage:
Having met Henry Johnston years before when both were young, Harriet kept up a friendship with him through the years. They announced their engagement in October 1864, to the great joy of James Buchanan. They were married at Wheatland on January 11, 1866 by another uncle, the Rev. Edward Young Buchanan (who was married to Stephen Foster’s sister). They honeymooned in Cuba.
Age at Marriage: 35 years
Children:
James Buchanan Johnston (1866-1881)
Henry Elliot Johnston (1869-1882)
Death:
January 13, 1903 in Narragansett, Rhode Island
Age at Death: 73 years

Legacy:
Though Harriet Rebecca Lane is not a "wife" of a President, she nonetheless filled the difficult position of First Lady with a grace, elegance, and aplomb of a woman much older and much more experienced than her. Her legacies include helping the Native American, helping children and joining a movement for a national art gallery. In her will, she donated her invaluable art collection to the Smithsonian, which eventually became the nucleus of the National Gallery of Art. Having lost both her sons in a year’s time, Harriet Lane turned her attentions to issues that would benefit children. The Harriet Lane Home for Invalid Children is now part of Johns Hopkins Hospital in Baltimore. She also watched the building of the National Cathedral and funded a school, St. Albans, to train boys to become choristers. This school still exists.

Het misverstandt


Gaat het zien. Een bijzonder leuke familievoorstelling van het RO Theater uitgevoerd door een ijzersterke cast: René van 't Hof, Hans Leendertse, Annet Malherbe, John Buijsman en Jack Wouterse.

De Rotterdamse acteur en theatermaker John Buijsman brengt een krankzinnige muzikale komedie voor jong (niet te jong) en oud.

Volgens mij is het in Rotterdam uitverkocht, maar kijk voor de zekerheid zelf even op de site van het RO

Heb ik weer

*************************
....en dus trok ik in het stadhuis nummer B156 voor het verlengen van een rijbewiijs. Op een schermpje verdween de tijdsduur. Ik zou ongeveer 35 minuten moeten wachten.
Gezien de hoeveelheid mensen kon ik mij dat nauwelijks voorstellen en ik kreeg gelijk.

Na vijftig minuten gebeurde er iets wat ik alleen mee kan maken.
Een technische storing.
Alle nummertjesautomaten en dito schermen stonden ineens op zwart. Er kon niet eens iets omgeroepen worden. Ik zag ambtenaren hun tas al pakken. Het was kwart over drie en het stadhuis sluit om vier uur.

Inmiddels zat ik een uur in die enorme ruimte en voelde het langzaam maar zeker van binnen gaan koken.
Alle binnenkomers werden weggestuurd. De storing zou vanmiddag niet verholpen worden hoorde ik een portier zeggen.

Dus liep ik naar één van de loketten, legde mijn oude rijbewijs en pasfoto neer en zei "ik ben binnen vijf minuten weer weg".
De ambtenaar keek mij overdonderd aan, maar was goedwils. "Als de pinautomaat het maar wel doet", zei ze.
En die deed het.

Laat Aboutaleb voortaan met zijn handen van de knoppen afblijven.

29 december, 2008

Gesignaleerd

Ahmed Aboutaleb is met zijn familie vanmorgen door manlief gesignaleerd bij café Dudok (om de hoek van het stadhuis).

De integratiecursus van de man met twee paspoorten is in volle gang. Aanstaande maandag wordt hij geïnstalleerd.

Ik ga nu één rijbewijs vernieuwen, dat over een maand verloopt. Verschil moet er wezen.

Toch?? Niet dan??

28 december, 2008

Koud hè

*********************
Bent u allen de kerstdagen goed doorgekomen of zit er nog een boer dwars?

Ik twijfel of ik nu meteen de kerstversierselen zal opruimen.
Maar officieel houdt 6 januari de kersttijd op. Dus wacht ik nog een weekje.
Manlief vindt het ook zo gezellig.

We gaan komende week naar Brouwershaven.
Koud hoor, want er is geen centrale verwarming. We gunnen Scooby een rustig oudjaar.

Ik vind het zo wonderlijk dat niemand het nu nog over the global warming heeft. Zou het regenen en acht graden zijn, dan werden we overladen met programma's over de opwarming van de aarde.
Maar nu het ijskoud is, wordt daar geen aandacht aan besteed.

We moesten vandaag een boodschap doen in de stad. Het was dringen op het zebrapad. De menigte hield mij warm.
Bij Intertoys stonden mensen buiten te wachten. Ik vrees voor het personeel dat het "ruildag" was.

In de Bijenkorf stond ik ook niet alleen op de roltrap (understatement).
Ineens kreeg ik een por in mijn zij. Een verdacht uitziend persoon (intuïtie) baande zich een weg naar boven, waarbij hij anderen ruw wegduwde.
Hij keek schichtig over zijn schouder naar beneden en naar boven. Hij leek en keek verdacht.

Ik besloot hem op de eerste verdieping te volgen en was van plan de beveiliging te attenderen op het vreemde gedrag van de man. Maar als je ze nodig hebt zijn ze in geen velden of wegen te bekennen.
Het ongure type duwde iedereen opzij en nam de roltrap terug naar beneden.
Ik kon nog net iemand, die onthutst achter hem stond, waarschuwen. Hangend over de leuning siste ik "beveiliging" - terwijl ik naar de griezel wees.
"Ik begrijp 'm", zei de man in onvervalst Rotterdams.

Toen ik na tien minuten op de begane grond terugkeerde, zag ik politie met een bekend figuur de winkel uitlopen.

De kou in.

24 december, 2008

Treuren

**************************
De grootste lading boodschappen heb ik al gedaan.
Vandaag gaat het alleen nog om het versgoed en de bestellingen ophalen. Ik zou dus zo klaar moeten zijn.

Nou mooi niet.

Het is niet erg kerstelijk om te vloeken, dus probeer ik dat een beetje te verdoezelen door de G weg te laten.

De paniek slaat om het hart als ik om 12.30 uur een nummertje trek bij Treuren, de wildhandel van Rotterdam.
Vijfentachtig klanten met waslijsten voor me. Vijfentachtig!!
VD.

Op de fiets race ik vervolgens naar Kralingen. In de Waterloostraat ben ik bij poelier van der Bas de enige klant. Ja, dat geeft te denken.
Ik laat nog wel weten hoe de Magret de Canard en de fazant zijn uitgevallen.

Pinnen kan niet. Dat geeft mij al te denken.
Voldoende contanten heb ik ook niet.
VD.

Dus naar de pinautomaat van de ABN Amro op de Willem Ruyslaan.
Saldo te laag.
VD.

Hoe kan dat? Er was net bijgestort.
Ik ga het kantoor binnen.

Staat er een rij van hier tot Tokyo. "Er is maar één kas open, mevrouw. En we hebben ook nog te maken met een technische storing".
VD.
Klote kantoor. We hebben er niet voor niets onze rekening weggehaald.

Dan krijgt mijn chaotische geest even een helder moment.
Internetbankieren. het saldo van de OV-kaart is aangevuld en dat KPN is betaald. Vandaar het tekort. Goeie timing, El.

Maar, ik kan weer pinnen en geld opnemen.

Terug naar de poelier. Die geeft trouwens wel een goede tip. Als de aangebrade fazant in de oven gaat, moet ik hem bedekken met aluminiumfolie. De glimmende kant naar de fazant toe!

Het wordt racen tegen de klok, maar ik red het (ruimschoots).
Alles is binnen. Veel te veel is binnen.

De kilo's die er vandaag afgejakkerd zijn, zitten er vrijdagavond weer ruimschoots aan.

23 december, 2008

All the Presidents Wives 15


Jane Means Appleton Pierce

Born:
March 12, 1806 – Hampton, New Hampshire

Father:
Reverend Jesse Appleton (Died 1819)

Mother:
Elizabeth Means (Died 1844)

Siblings:
1 Mary Appleton Aiken
2. Frances Appleton Packard
3. William Appleton
4. Robert Appleton
5. John Appleton

Physical Description:
Very slender, weighing at most 100 lbs., about 5’4" or 5’5", with chestnut hair parted severely in the middle and ringlets, "Sherry" (Brown) colored eyes, sharp nose and almost always a sad, distracted look. Dressed in dark colors, usually black, but on occasion would wear white with black lace.

Religion:
Congregationalist (Father was a Congregationalist minister.)

Education:
Taught at home, but early showed an aptitude for music (piano) making one teacher wish she would pursue a musical career. Music was something she did not pursue in later life. Her reading tended to religious works rarely does she mention current authors in her letters. Her handwriting was poor later in life, making her letters extremely hard to read and to transcribe.

Husband:
Franklin Pierce (November 23, 1804 – October 8, 1869)

Marriage:
November 19, 1834 in Amherst, New Hampshire, in her grandmother's home.
Married by brother-in-law John Aiken.
Age at Marriage: 28 years (Franklin was not yet 30)

Personality:
Shy, reclusive, prone to deep depressions, Jane Pierce would never be able to accept her husband’s political career or to mingle easily in society. She hated Washington, but in reading her early letters to her in-laws and to her mother, she did at least attempt to join with her husband in the social duties of a Congressman’s wife. On occasion she would show great insight into motives and characters of fellow politicians. The birth and death of her children took a heavy toll on a character not resilient to life’s demands. Fortunately, she had a husband who not only loved her but also understood her and permitted her the freedom to visit her sisters whenever she liked. The most important factor of Jane Piece’s character was her need to lean on others, hence the importance of her aunt through marriage, Abigail Kent Means and most importantly her oldest sister, Mary Appleton Aiken. They did what they could to keep Jane Pierce on as "even a keel" as much as was possible. The time of her tenure in the White House, her gloom and depressions were so acute, permanent and evident to all that Nathaniel Hawthorne, a famous author of that time, would refer to her as "that death’s head" in the White House. Her later years would see her somewhat improve. The return to her home however in New Hampshire, with its painful memories, saw a return of her depression.

Children:
1. Franklin Pierce, Jr. (Born February 2, 1836 – Died February 5, 1836) 3 days old
2. Frank Robert Pierce (Born August 27, 1839 – Died November 14, 1843 in Concord, New Hampshire) 4 years of Age
3. Benjamin Pierce (Born April 13, 1841 in Concord, New Hampshire – Died in a train wreck on the way to Washington with his parents on January 6, 1853 near Andover, Massachusetts) 12 years of age
Jane Pierce survived all 3 of her sons – No descendents survive today.

First Lady:
Because of the tragic death of Benjamin, she did not attend her husband’s inauguration. She did not enter the White House until later in March 1853.
She did not receive publicly at the White House until January 1855, asking her uncle Robert Mean’s widow, Abigail Kent Means, to perform the official duties of the First Lady. Since Mrs. Means had no children, she would find it easier to spend long periods of time with Jane, whom she loved like a sister. When Mrs. Means was absent from the Capitol, Mrs. Jefferson Davis (Varina Howell, future First Lady of the Confederacy and wife of the Secretary of War) would officiate as did other cabinet wives, but not one of them was considered the official hostess.
Mrs. Pierce spent much of her time writing heart-breaking notes to her dead son,Benjamin, putting into them all the love that her repressive nature could not express in life. It would be nearly two years following his death (January 1855) before she would receive guests at her husband’s side.
She attended Congressional debates, which is surprising considering her dislike of politics.
Always kind to the White House staff, she usually had them attend church on Sundays. Both she and her husband were very strict about the Sabbath.
Having more of an abolitionist background than her husband, it was Jane Pierce who persuaded him to release Dr. Charles Robinson, an ardent abolitionist and republican, from a Kansas prison where he had been detained. Pierce, known for his kindness of heart, did so both for his wife and the distraught wife of Dr. Robinson. Late, during the Civil War, the Pierces were divided – she for the ending of slavery (if by war, then let it be so), he for the constitution first (the union first and slavery second).
The Pierces oversaw many decorative changes to the White House, including a furnace, a tile-covered bathroom with hot and cold running water, a new rug in the East room (where it looked like flowers were being thrown at your feet), new ornate mirrors (still being used) and a handsome china service which the President purchased at the New York World’s Fair.
Mrs. Pierce’s health became more fragile and the President would have a dozen or so of his wife’s nieces and nephews come to visit and care for her.
After the election of James Buchanan in 1856, the Pierces departed the White House early (and stayed with secretary of state William L. Marcy), so the staff could prepare the house for the incoming president and his niece, Harriet Lane. Franklin Pierce could not help but remember his first day (March 4, 1853) and how nothing had been ready for him – not a room, not a bed – and how he and his secretary, Sydney Webster, ended up sleeping on chairs.
Jane Pierce did not attend the swearing in of her husband’s successor.

Later Life:
After leaving Washington, the Pierces spent a short period of time in New England – Franklin in New Hampshire to settle accounts, Jane in Andover, Massachusetts with her sister, Mary Aiken. The Pierces then sailed to the Caribbean on board the U.S.S. Powhatan, a government ship loaned to them by President Buchanan. From the Caribbean they sailed to Europe, where Franklin made a valiant attempt to help his wife recover, but by then, her depression had become chronic and she had contracted tuberculosis that made her querulous, irritable and often melancholic. The Pierces returned home in 1860, and Jane rarely left her sister’s home after that.

The Civil War saw the couple take opposite sides – Franklin for preserving the Constitution and the Union and Jane for ending slavery, even if it took a war and breaking up the union to do so.

Death:
Jane Pierce died at her sister Mary Aiken’s home in Andover, Massachusetts on December 2, 1863. She was 57 years old. The ex-president took his wife home to Concord, New Hampshire to lie beside their sons, Frank Robert and Benjamin (Franklin Jr.'s resting place is unknown). Franklin spoke often of going and watering the flowers "on the sacred spot". He died on Friday, October 8, 1869 and was buried beside Jane at Old North Cemetery in Concord.

Zoonlief

**********************
In de V.S. waren het twee zonen die hun vader aangaven omdat hij zo'n slordige vijftig miljard had verduisterd, of verloren, of zoek gemaakt. Bernard Madoff is zijn naam.


In HP/de Tijd las ik een interview met Geert Wilders.
Geert Wilders was bedreigd door de zoon van de NRC-journalist Frank Vermeulen - (inmiddels) voormalig chef politieke redactie. Die had natuurlijk wel een aantal telefoonnummers van politici en Vermeulen jr. (18 jaar) heeft daar de hand op weten te leggen.

Vermeulen sr. schijnt Wilders gesmeekt te hebben geen aangifte te doen. Die weigerde dat.
Geert deed aangifte en de jongen werd van zijn bed gelicht door de politie.

Vervolgens heeft de journalist nog een column geschreven, waarbij hij zich heeft laten leiden door zijn persoonlijke wrok.

Daar was niet alleen Wilders verbolgen over. De hoofdredactie greep in:

http://weblogs3.nrc.nl/lezerschrijft/2008/12/20/de-lezer-schrijft-over-politieke-columnist/
http://weblogs3.nrc.nl/politblog/2008/12/17/politblog-beeindigd/

Wat een drama moet zich in huize Vermeulen hebben afgespeeld.

22 december, 2008

Liza komt

Liza Minelli zal 24 juni optreden in de Heineken Music Hall.
Zo vertelde Harry Mens zondag in zijn Business Class en dat is vandaag door veel media bevestigd.

Precies vier maanden eerder gaan wij de - naar verluid drugs-en alcoholvrije - show zien in Naples, Florida.
Heel toevallig ons vakantieadres.
Heel toevallig las ik het.
En heel toevallig kon ik nog kaarten krijgen.
******
Dat wordt rennen, liefhebbers. Want Harry haalt haar niet alleen naar ons land: Harry pikt volgens mij ook alle (goede) plaatsen in.

Fans

Vandaag bezoek uit Amsterdam en Arnhem.

Lezers van (bijna) het eerste uur, de (tweeling)zusjes Claartje en Emmy. Ze reageren wel eens en zijn sowieso iedere dag (veelvuldig) op Vertelsels te vinden. Door lezers als zij krijg ik dagelijks de nodige dosis schrijfadrenaline.
Met Claartje onderhield ik ook mailcontact toen zij voor langere tijd in de V.S. verbleef. En ook toen was Vertelsels haar link naar de dagelijkse beslommeringen in haar vaderland.

Dus vonden alle partijen dat het hoog tijd werd voor een ontmoeting. Ik moet eerlijk toegeven dat ik het nogal griezelig vond. Drie jaar geleden heb ik slechte ervaringen overgehouden aan een "blind date" met mensen uit de club van 100.

Maar reeds op het CS wist ik dat het goed was.
Tussen twee haakjes: vandaag heb ik voor het eerst mijn OV-kaart gebruikt. Dat ging meteen fout. Er werd 8,- afgeschreven - dus dat akkefietje moest eerst opgelost worden.

Na de koffie kwam de lunch en vervolgens de wijn. Time flies when you're having fun.

We waren nog lang niet uitgepraat. Dus liet ik de boel de boel, de kerstboodschappen de kerstboodschappen en besloten we er "een dag" van te maken.

Een borrel in het oer-Rotterdamse café Timmer (waar wel gerookt wordt) aan de ongebombardeerde Oude Binnenweg was zeer de moeite waard. Timmer kent enkel en alleen stamgasten die op elkaars rekening en uit elkaars glas drinken. Gezellig.

Vervolgens voegde manlief zich bij het damesgezelschap. Ik zag dat met lede ogen aan, maar gedoogde zijn aanwezigheid toen hij beloofde de dinerrekening van/bij Sijf op te pakken.

En zo eindigde een genoeglijke dag met twee jonge fans. Diepzinnige gesprekken over werk, ouders, liefdes en relaties, afgewisseld door lachsalvo's. Het was leuk. Het was goed.

Claartje en Emmy kennen nu de locatie van waaruit Vertelsels geschreven wordt. Ze hebben het spectaculaire uitzicht met eigen ogen kunnen aanschouwen.

En dat is niet een ieder gegund.

21 december, 2008

21/12 - 16.35 uur

----------------------------------------------------------------THE SHORTEST DAY----------------------------------------------------------------

Heilige Oliva

Restaurant Oliva in de Witte de Withstraat is veruit het beste Italiaanse restaurant van Rotterdam. Deze boute uitspraak durf ik na gisteravond wel te doen.

Maandag had ik al gereserveerd. Dat is nodig. Op de bonnefooi binnenlopen resulteert in een teleurstelling.Het vers gebakken, knapperige Ciabattabrood met de fruitige olijfolie zijn onweerstaanbaar.
****
Uit de kleine kaart koos ik voor de salade Cipolli (met gebakken rode ui, gegrilde makreel en een fantastische balsamicodressing).
Als hoofdgerecht nam ik "van het bord" de gegrilde Dorade met eveneens gegrilde groenten. Absoluut toppie.
****
- Oliva staat garant voor VERS.
Mooie ingrediënten - die je ook stuk voor stuk proeft - puur bereid. De gulle porties zijn een lust voor het oog.

- Oliva staat garant voor variëteit.
"Het bord" verandert regelmatig. Ook voor vegetatiërs is de keuze bovengemiddeld.
De hoofdgerechten kunnen ook als voorgerecht besteld worden.

- Oliva staat garant voor gastvrijheid.
De bediening is adequaat, aardig en flexibel. Ze zullen, in samenwerking met de keuken, er alles aan doen je (eet)wensen te vervullen. Ook als het niet op de kaart of het bord staat.

Wij konden een dessert helaas niet meer aan.
Voor vier personen kwam de nota uit op €155,-. Voor - hoofd - 1 fles Pinot Grigio - 1 glas rode wijn.

- Oliva is de hele week geopend.

19 december, 2008

Bedankt Ivo

Gisteren was de laatste werkdag van onze burgemeester Ivo Opstelten (ook een Kralinger trouwens).

In de NRC werd een hele pagina aan hem gewijd. Dat vond ik een leuk en interessant stuk en daarom plaats ik het in zijn geheel.

Beter goed gejat dan slecht bedacht.

Een sociëteitscommissaris die drijft op intuïtie
Workaholic Ivo Opstelten leidde Rotterdam met humor, onverstoorbaarheid en oog voor alledaagse ergernissen

Gepubliceerd: 15 december 2008 14:32 Gewijzigd: 19 december 2008 14:41
Door onze redacteur Mark Hoogstad

Een geboren burgervader. Zo kenschetsen intimi burgemeester Ivo Opstelten van Rotterdam. Nuchter, daadkrachtig. Hoewel niet iedereen rouwig is om zijn nabije vertrek.

Rotterdam, 15 dec. Een functieomschrijving ontbreekt, maar verder staat hij gewoon in het telefoonboek, op pagina 822: mr. I.W. Opstelten. De enige met die achternaam in Rotterdam, dus dat kan niet missen: de burgemeester. Echtgenote Mariëtte Opstelten-Dutilh (63) heeft de afgelopen tien jaar dan ook menig burger aan de lijn gehad. „Meestal mensen die even hun hart willen luchten.” Maar af en toe ook „een boze meneer of mevrouw”. Want Ivo Willem Opstelten mag dan populair zijn in de tweede stad van Nederland, hij krijgt het niet cadeau.
De vertrekkend burgemeester – donderdag zwaait hij officieel af in de gemeenteraad, vrijdag volgt een afscheidsfeest in Ahoy – neemt zelf zelden of nooit de telefoon op in de statige woning in de deelgemeente Kralingen. Hij is vrijwel voortdurend op pad. En altijd ten behoeve van de stad. „Hij kan moeilijk ‘nee’ zeggen en Rotterdam uitdragen is voor hem een bijna heilige missie”, zegt zijn vrouw. Het is die onvermoeibare inzet die vriend en vijand prijzen in de bijna 65-jarige rasbestuurder, die over drie weken wordt opgevolgd door Ahmed Aboutaleb (PvdA).

Gevolg is wel dat de workaholic Opstelten thuis vrijwel niets doet. Toch beweerde hij ooit in een vraaggesprek met Opzij dat zijn bijdrage aan het huishouden bestaat uit grasmaaien. „Ik heb hem meteen gevraagd sinds wanneer dat dan zo was, want kennelijk had ik wat gemist”, grijnst zijn echtgenote. In werkelijkheid is Rotterdams eerste burger een onhandige man, onthult huishoudster Mia Kaldenhoven in het donderdag te verschijnen afscheidsboek Opstelten. „Soms gaat hij ineens zijn schoenen poetsen en dan zit dat overal op de vloerbedekking.” Bovendien snurkt haar broodheer „als een beer”.

Zijn vrouw en vier dochters zijn thuis de baas. Zij zijn ‘de ijzeren ring’, waar Opstelten naar eigen zeggen altijd naar luistert. Zij ook hebben hem ingewijd in de geheimen van internet. „Ik moet af en toe noodgedwongen de rol van bitch spelen, want anders luistert hij niet en staat hij om één uur ’s nachts nog te kletsen bij een of andere meeting”, zegt zijn vrouw, die als kinderrechter werkzaam is in Den Bosch. Ingewijden zeggen dat haar invloed niet mag worden onderschat. Zelf veegt Opstelten-Dutilh, afkomstig uit een familie van Rotterdamse notabelen, die suggestie van tafel. „Ik lees zijn stukken niet, of hij moet me daar expliciet om vragen. Wat hij vervolgens met mijn mening doet, moet u hem zelf maar vragen.”

Oud-raadslid Manuel Kneepkens (66) weet wel beter. „Hij is Ollie B. Bommel, zij is Tom Poes die hem behoedt voor misstappen”, zegt de ex-fractievoorzitter van de Stadspartij. Andere bijnamen die Opstelten in bijna tien jaar Rotterdam (1999-2009) verwierf, zijn onder meer Oppie, Burgemeester Dickerdak, Bolle en – door zijn onbuigzame veiligheidsaanpak – Giuliani aan de Maas. „Hij heeft, na een weifelend begin, een onuitwisbaar stempel op deze stad gedrukt door te allen tijde de rust te bewaren”, zegt Kneepkens.

Dat is een prestatie. Zeker voor een bestuurder die meermalen heeft erkend geen visionair te zijn. „Hij verstaat de kunst telkens op de juiste trein te springen, maar zet zelden zelf een trein in beweging”, beaamt Kneepkens. Dat is een vaker gehoorde klacht in Rotterdam. Al durven maar weinigen dat hardop te zeggen. Opsteltens macht en invloed reiken ver. De VVD-voorzitter beschikt over een groot en invloedrijk netwerk. Kneepkens weet dat hij „een potje kan breken bij Ivo”. De reden: beiden waren in de jaren zestig lid van het Leidse studentencorps Minerva. „Een grote kerel die rugby had gespeeld en wel van een borreltje hield. Hij was dan ook de aangewezen persoon om sociëteitscommissaris te worden. In de praktijk betekende dat voorkomen dat het meubilair ’s nachts door de ruiten werd gesmeten.”

Een ordehandhaver is de oud-student rechten in feite altijd gebleven, zegt ouderejaars Kneepkens. Lachend: „Veiligheid was en is zijn corpsbusiness.” Daarbij heeft hij de „brallerige studentenhumor en bijbehorende debattrucjes” tot kunst verheven, weet de dichter. „Hij kan iemand met één kwinkslag klem zetten, net als destijds op de soos.” Of de ijzige sfeer doorbreken, zoals nodig was in de vorige collegeperiode (2002-2006). Leefbaar Rotterdam had de PvdA uit de macht verdreven. De partijen stonden als kemphanen tegenover elkaar. Opstelten haalde meer dan eens de kou uit de lucht met een geslaagde grap of grol.

Toch ergert zijn vrouw zich geregeld aan „die neiging leuk te willen zijn. Af en toe draaft hij door met die Leidse humor. Hou daar eens mee op, zeg ik dan, want niet iedereen begrijpt het of vindt het leuk.” Nog zo’n onhebbelijkheid: „Bij recepties staat mijn man vaak in van die bakjes met nootjes te graaien, terwijl hij nota bene in gesprek is met iemand. Als ik het zie, zeg ik er onmiddellijk wat van.” Dat gebeurt de laatste jaren steeds minder. Opstelten viel mede op aandringen van zijn gezin vorig jaar fors af: ruim vijftien kilo. „Hij eet veel verstandiger.”

Verslaggever Martin Maat sprak de afgelopen weken met tal van bekenden van Opstelten. Het resultaat van die rondgang is te zien op 7 januari in een tv-uitzending van KRO’s Profiel, getiteld Altijd een heer. „De sleutel van zijn succes ligt overduidelijk in zijn Minerva-tijd”, zegt Maat. Als zijn agenda dat toestaat, gaat Opstelten nog elke zomer op wandelvakantie met zijn jaarclubgenoten van Taras Bulba, onder wie de oud-directeur-generaal van de Nederlandse Mededingingsautoriteit, Anne Willem Kist. Die noemt in het rijk geïllustreerde boek Opstelten „nuchterheid en eenvoud” de grote kracht van zijn vriend.

Dat doet ook Opsteltens persoonlijk secretaris Henk van de Kamp (35), die sinds 2003 onder meer diens speeches schrijft. „Ik werk niet voor hem, ik werk met hem. Het gevoel ‘we doen het samen’ weet hij je heel sterk te geven.” Burgers worden volgens Van de Kamp op dezelfde manier aangesproken „en dus indirect betrokken bij zijn beleid”. Bovendien beschikt Opstelten over het vermogen tot zelfrelativering. Dat is een eigenschap die hem goed van pas komt in de stad, waar branie en bravoure worden beschouwd als ‘typisch Amsterdamse’ deugden.

Van de Kamp vindt Opstelten vooral „heel gewoon”. Hij vertelt: „We waren vlak na mijn aanstelling op weg naar Zwolle voor een lezing, maar hadden nog niet gegeten. Dus liet hij de chauffeur stoppen bij een McDonald’s. Even later op de achterbank zit hij de inhoud van die bakjes te bestuderen en zegt-ie op gortdroge toon – Van de Kamp imiteert de karakteristieke basstem van zijn baas – ‘goh, ze zijn de servetjes vergeten’. Toen wist ik: dit is niet zomaar een burgemeester, deze man heeft humor én staat met beide benen op de grond.”

Zijn ongekende populariteit heeft Opstelten niet alleen te danken aan zijn kordate optreden, vlak na de moord op Pim Fortuyn (2002), toen hij het stadhuis openstelde voor rouwende burgers en een dag later de stille tocht aanvoerde. In zijn eerste maanden moest ‘die hockeybal uit Utrecht’ veel scepsis overwinnen. Hij was na Eindhovens burgemeester Rein Welschen tweede keus, zo lekte later uit, en moest als VVD’er spitsroeden lopen in de vanouds ‘rode’ stad. „Maar hij hield zich staande, trok meteen de wijken in en sprak iedereen: zowel allochtoon als autochtoon”, herinnert Kneepkens zich. „Dat heeft hem veel goodwill opgeleverd.”

Niets is Opstelten bovendien te dol, zijn regenteske voorkomen ten spijt. Dit najaar bijvoorbeeld dook hij op in een filmpje op internet, waarin hij op zijn werkkamer een kolderiek dansje opvoert. Kneepkens: „Jij en ik kijken wel uit, maar hij doet het gewoon! Sterker nog: hij vindt het nog leuk ook, net als al die andere ‘gewone’ Rotterdammers.” Die waarderen het ook dat Opstelten bij de regionale omroep RTV Rijnmond vragen van luisteraars beantwoordt in het radioprogramma Met Wie?
Een geboren burgervader dus, die al in zijn studententijd verkondigt dat hij later burgemeester wil worden, zegt zijn vrouw, die hij ontmoette in het Leidse studentenleven. „Ik vond het een bijzondere wens, al paste het hem wel.” Op zijn 28ste wordt hij de jongste burgemeester van Nederland, in het Drentse Dalen. Daarna volgen Doorn, Delfzijl en Utrecht, waarna hij in 1999 terugkeert in zijn geboortestad. Zijn vuurdoop – ernstige rellen na de huldiging van Feyenoord op 24 april 1999 – doorstaat hij met glans. Hij blijkt een vaderlijke en onverstoorbare ambassadeur van de havenstad.

Zijn gezag breidt hij nadien gestaag uit. Intuïtie blijkt zijn belangrijkste raadgever. Opstelten heeft het burgemeesterschap „als het ware opnieuw uitgevonden”, zegt CDA’er Lucas Bolsius, de langstdienende wethouder onder Opstelten. „Het is er nooit van gekomen, tot zijn grote ergernis, maar Ivo heeft zich na 2002 weten te profileren als een gekozen burgemeester.” Burgers mochten het hem aanrekenen als gestelde doelen niet werden gehaald. Bolsius: „Ivo heeft als geen ander de boodschap van Fortuyn begrepen.”

Maar niet iedereen is rouwig om Opsteltens vertrek. „Van zijn armzalige ‘Giuliani en zero tolerance’-nabootsing moet ik maar weinig hebben”, schrijft SP-raadslid Leo de Kleijn op zijn weblog. Opstelten stelt zich als voorzitter van de gemeenteraad bovendien „uitermate irritant” op, aldus De Kleijn, en „probeert elk inhoudelijk debat te smoren”. Volgers van de Rotterdamse politiek beklagen zich nog wel eens over de ellenlange monologen, die Opstelten – altijd pratend met drukke handgebaren – afsteekt. Wordt het hem te heet onder de voeten, dan wiegt hij zijn critici in slaap met een stortvloed aan woorden. „Als-ie dan eindelijk klaar is, vraag je je af: wat heeft hij nu eigenlijk gezegd?”, aldus De Kleijns collega Theo Coskun.

Minder bekend zijn Opsteltens woede-uitbarstingen. Op het stadhuis aan de Coolsingel is het een publiek geheim dat met name de veiligheidsambtenaren af en toe de wind van voren krijgen. Ook een vilein zinnetje in de krant kan zijn humeur verpesten, vertelde zijn woordvoerder eerder dit jaar. „Maar de storm gaat na een half uur meestal weer liggen.” Slechts één keer maakte Opstelten een fout in Rotterdam, herinnert zijn secretaris Van de Kamp zich. „Kort na de moord op Theo van Gogh verbood hij een uiting van kunstenaar Chris Ripken, die middels een tekst op een muur pal naast een moskee opriep tot verdraagzaamheid. Dat was een tactische blunder, waar hij later ruimhartig excuses voor heeft gemaakt.”

Ook Robert Mul, de afzwaaiend directeur van de Rotterdamse Rekenkamer, kwam af en toe in conflict met het stadsbestuur, en dus met Opstelten. „Wat een gemul” is niet voor niets een bekende oneliner binnen het Rotterdamse college. Mul prijst Opstelten als een daadkrachtig bestuurder, maar plaatst ook kanttekeningen. „Hij krijgt wel heel veel ruimte van zijn wethouders, en neemt die ook.” Mul herkent het beeld dat een lokaal politicus eerder dit jaar off the record schetste: Rotterdam is als een bootje dat amper vaart maakt, omdat alle wethouders bij de burgemeester op schoot zitten en de buitenboordmotor in de modder blijft steken.

Opstelten is vooral een man met geldingsdrang, stelt Mul. „Een fanatieke resultaatvoetballer die met hele grote stappen op het doel afstormt. Als hij dat nodig acht, schroomt hij niet de spelregels op te rekken.” Burgers windt hij eenvoudig om zijn vingers. Mul: „De strijd tegen de kauwgom op straat, dat is Opstelten ten voeten uit. Hij kondigt het aan in zijn nieuwjaarstoespraak en twee dagen later rijden de eerste antikauwgomwagentjes door de stad. Heel zichtbaar in actie tegen een heel herkenbaar probleem. De boodschap is: ik heb óók oog voor kleine, alledaagse ergernissen en ik weet van aanpakken.”

Een leven lang burgemeester
1944 Geboren op 31 januari in Rotterdam
1969 Afgestudeerd in staats- en publieksrecht aan de Rijksuniversiteit Leiden
1970 Ambtenaar afdeling juridische en kabinetszaken bij de gemeente Vlaardingen
1972 Burgemeester Dalen
1977 Burgemeester Doorn
1980 Burgemeester Delfzijl
1987 Directeur-generaal openbare orde en veiligheid, ministerie van Binnenlandse Zaken
1992 Burgemeester Utrecht
1999 Burgemeester Rotterdam
Andere (huidige) functies:
Voorzitter VVD
Voorzitter Prins Bernhard Cultuurfonds
Voorzitter Vereniging Rijksgesubsidieerde Musea
Voorzitter raad van toezicht Netherlands Genomics Initiative
Lid raad van toezicht Rijksuniversiteit Utrecht
Lid raad van toezicht Berlage Instituut
Ivo Opstelten is getrouwd met Mariëtte Dutilh en heeft vier dochters en vijf kleinkinderen

Blessuretijd

Vanmiddag moest ik op de valreep naar de huisarts. Hij gaat volgende week met vakantie en dan word ik altijd zenuwachtig. Vooral wanneer ik (n)iets mankeer. Ik wil gerustgesteld de feestdagen beleven.

Wat er aan mankeert?

- Een lastig kriebelhoestje plaagt mij al sinds ik vier weken geleden zo ziek was. Ik kan niet gewoon praten zonder belemmerd te worden door dat irritante hoestje.

- Ik heb met het kerstversierselen ophangen capriolen uitgehaald die op mijn leeftijd onverstandig zijn. Mijn ledematen zijn nu eenmaal niet meer zo flexibel.
Nu loop ik al een week met een gillende pijn in mijn rug. Ben met zelfmedicatie begonnen. Eerst kalmpjes aan met de Brufen, maar nu toch op het randje van OD.

Om nog een kilootje kwijt te raken besloot ik op de fiets naar de huisarts te rijden.
Toen ik door de Lusthofstraat - de winkelstraat van sjiek Kralingen -reed zag ik dat de islamitische slager bezoek kreeg van twee agenten.
"Illegaal geslacht", dacht ik. "Die gaat op de bon".

In de wachtkamer van de huisarts vertelde een meisje met bevende stem dat er gisteravond iemand was neergeschoten. Zij liep op dat moment door de Lusthofstraat en had het beeld van het zwaar bloedende slachtoffer nog op haar netvlies. Ook het getuigeverhoor was haar niet in de "kouwe kleren" gaan zitten. Ze kwam nu een pilletje halen om te kalmeren.

Toen mocht ik naar binnen. Drankje voor het hoestje.

En de rug? Jaha, dat is toch wel een gekneusde rib. Kan 6-8 weken pijnlijk zijn.

De goede naam van Lusthofstraat is voorgoed aangetast. Het is nu een object voor CSI.

18 december, 2008

Onsmakelijkste reclame



Het Gesprek kabbelt verder

****************************************************
Een trotste Frits Barend (hij glom van oor tot oor) en Ruud Hendriks vertelden bij DWDD dat Het Gesprek in januari 2009 met een nieuwe programmering komt.

Evenals de eerste keer klinken de plannen veelbelovend.
De BBC heeft er geld in gestoken. Als tegenprestatie worden er programma's van BBC World News uitgezonden.
Eveneens levert de Britse omroep wekelijks World Business Report, HARDtalk, Click (wetenschap), Imagination (cultuur) en Fast Track (reizen).

Daarnaast komen er "kwaliteitsfilms", reportages en documentaires.
Frits neemt wekelijks twee programma's voor zijn rekening. Eén met een sportkarakter en één talkshow met een medepresentator.
Jan Mulder? Henk van Dorp?
Ik weet het, maar mag niets verklappen.

Wie er van de oude presentatoren/interviewers terugkomen verklapten de twee evenmin.

Ik gun Het Gesprek veel succes.
Zet dit keer in godsnaam de boel vanaf het begin goed op de rails. Vooral het internet, omdat HG niet overal te ontvangen is.

,,Dankzij deze unieke samenwerkingsverbanden wordt de zender in 2009 volwassen'', zegt algemeen directeur Ruud Hendriks van Het Gesprek.

Ja, maar pas op! Kinderziekten zijn ontzettend besmettelijk.

Fashion online 8



Gucci Kerstcatalogus en Gucci Handtassen

17 december, 2008

Grote Kuip

Toen ik het bedrag hoorde (bijna een half miljard) dat de nieuwe Kuip moet gaan kosten, dook ik even weg. Bijna wordt vast en zeker dik.
Over acht jaar moet het nieuwe multi-functie stadion er staan. Natuurlijk op Zuid.
Iedereen die moet wijken zal een rijkelijke oprotpremie ontvangen.

Maar Rotterdammers zijn zeikerds, klagers. Ook als het uitstekend gaat.
Dan zeiken en klagen ze dat het uitstekend gaat.

De ouwe Tsjuip voldoet blijkbaar niet meer.
Desalniettemin is het altijd nog het meest geliefde stadion. Het veld ligt er - vanuit alle hoeken en gaten gezien - als een biljartlakentje bij.
Maar inderdaad, er zijn wat voorzieningen - off field - die hoognodig vernieuwing behoeven. Die hoeken en gaten onder andere.

Ik mag hopen dat Feijenoord tegen die tijd weer op het niveau van 1970 is.
Ik mag tevens hopen dat de prijzen van (seizoen)kaarten betaalbaar blijven. Want dat loopt nu al schrikbarend uit de klauwen. Om het maar eens op z'n Rotterdams te zeggen.

En zo heb ook ik mijn kans gegrepen om lekker een stukje te zeiken en te klagen.

El wenst

.......iedereen een swingende kerst toe.

16 december, 2008

...................van het jaar (2)

**********************************************************
"Wouter heeft de Belgen een oor aangenaaid, en daarom is hij politicus van het jaar."

Theodor Holman

All the Presidents Wives 14


ABIGAIL POWERS FILLMORE

Born:
13 March 1798 Stillwater, Saratoga County, New York
*There is another source which claims that Abigail Fillmore was born in New Hampshire: "A field, within Corbin Park, is of interest as being the birthplace of one of the wives of the late President Fillmore. Her name was Abigail Powers, and she was the daughter of the late Lemuel Powers of Groydon." Argus & Spectator (New Hampshire), 12 December 1890; in fact, it was Abigail Fillmore's paternal grandmother, Thankful Leland, who was born in Groydon, New Hampshire, 26 June 1724.

Father:
Lemuel Leland Powers, Baptist minister, born 15 June 1756, Littleton, Worchester County, Massachusetts; Lemuel Powers was one of four Baptist ministers who served a group of five associated churches (two in one town where a minister served both) in the bordering regions of New York, Vermont and Massachusetts. They were organized in 1780 as the "Shaftsbury Association," named after the Vermont town where the first church was located. Powers was formally ordained that year. But had helped found and preached at the Stillwater, New York First Baptist Church for several years prior. The institution rapidly grew in terms of its congregation size and wealth. Even through the turmoil of the nearby Battle of Saratoga in 1777, there were eighty-six members, a large congregation under any circumstances for a new, rural church at the time. Its success permitted the church to branch out to establish eight other Baptists congregations in the area, with Stillwater remaining as the central base. In 1798, after fifty congregants migrated to Fish Creek to found another branch there, Powers' church had a remarkable congregation of almost four hundred people; Lemuel Powers died 18 May 1800, Stillwater, New York.

The conventional account of what caused the widowed Mrs. Powers to leave Stillwater for the western part of New York State was that it was a less expensive place for her as an impoverished widow to raise her children. However, it was six years before the move was made. The situation might have been exacerbated by an incident previously unreported in Abigail Fillmore's biographies, stemming from a personal scandal involving her late father. During the first six years following his death (1800-1806), the church congregation he had led shrank radically. By 1808, two years after the Powers family had left Stillwater, in fact, there were only twenty congregants. According to a later report: "The cause of this dispersion was owing partly to the spirit of emigration, which possessed the members, but mostly to some misconduct in their pastor, or at least to some reports unfavorable to his chastity. He confessed he had been imprudent, but at the time, and in his dying moments denied having been actually guilty. But so it was that his usefulness was ruined, his church scattered, and he went mourning down to his grave, which he entered in peace in 1800, in the 45th year of his age. "

Mother:
Abigail Newland Powers Strong, born 22 February 1758, Massachusetts; her father Joseph Newland was a prominent Baptist minister. Her brother Royal Newland was a wealthy businessman in Stillwater, New York. A former Continental Army wagoner during the Battles of Saratoga, he bought most of the property where the battle took place and there built and ran the mill of the town. True to family tradition, he was an Elder of Stillwater's First Baptist Church, where a window was dedicated to the Newlands; Abigail Newland married Lemuel Powers, 16 April 1777, Northbridge, Worchester County, Massachusetts but was widowed on 18 May 1800; married secondly, Benjah Strong, 1818, Cayuga County, New York; died, 23 February 1838, Lansing, Tompkins County, New York.

Stepfather
Captain Benjah Strong, born on 22 February 1740, New London, New London County, Connecticut. Veteran of the French and Indian War and the American Revolution, he was the first cousin of patriot Nathan Hale. He moved to Athens, Greene County, New York in 1782, and ran a ferry company between Athens and Hudson. Following the 1818 death of his wife Jane Cochrane, he moved westward, briefly settling at Great Bend, Ithaca County. He appears on the census of 1810 in Cayuga County, New York, where he met and married Abigail Powers. They moved to, Lansing, Tompkins County, New York, appearing on the 1820 census. He died at age 96 on 22 May 1836, Lansing, Tompkins County, New York.

Ancestry:
English
Birth Order and Siblings:
Youngest of seven; five brothers; one sister
Cyrus Powers (1779-18??); David Power (1782- ?), John Powers (1784 - ?), Royal Newland Powers (1786 - ?), Lemuel Powers (1789 - ?), Mary Powers (1793 -1851)

Step-Siblings
six stepbrothers, three stepsisters: Sally Strong (1761-?), Benajah Strong Jr. (1763-1851); Thankful Strong (1765-?); Almorena Strong (1769-?); Amos Strong [I] (1770-1770); Amos Strong [II] (1771-?); Salmon Strong (1772-1837); Simeon Prime Strong (1774-1841); Truman Strong (1798-?)

Education:
one-room schoolhouse, Sempronius, Cayuga County, New York, 1804-1814: In 1801, months after their father's death, Abigail Fillmore's brother, Cyrus Powers - 19 years her senior - left Stillwater for the western village of Sempronius (current-day Kelloggsville), Cayuga County, New York. In April of 1804, the widowed Mrs. Powers took her remaining six children to Albany to join a departing wagon train to Cayuga County. There, they came to live with Cyrus Powers. The family was impoverished, thus making Abigail Fillmore the first First Lady to rise from the lower-economic class. Although her father had died, Abigail Fillmore later recalled, "before I was old enough to appreciate my loss," he did leave a rich educational legacy to her and her siblings in his large personal library of books. Thus, Abigail Fillmore received an excellent education simultaneously from her mother at home, and her brother in the schoolroom. An especial love of reading literature was borne in her at this time, but she also became proficient in math, government, history, philosophy and geography. William L. Barre, a family friend stated that she "received all the advantages of a liberal education."
Occupation before Marriage:
Public School Teacher, Sempronius, New York, Lisle, New York, Aurora, New York, 1814-1826: Abigail Fillmore's brother Cyrus Powers taught school in Sempronius from 1801 to 1803 in a double-log house (it also seconded as a meeting-house) built on land owned by the First Baptist Church there. After a three-year term by an eccentric successor, David Powers, another brother, and then a cousin Gershom Powers succeeded as teachers. In 1814, following in the profession of her brothers and cousin, Abigail Powers became the teacher of the Sempronius village school. Although her first year of teaching was conducted in the same building where they had taught, unlike them, she taught in what was now a public institution. In 1812, a town council had approved funding for a public school. In 1815, a school-house was built at Sayles Corners that became Sempronius's first district school, and this is where she then taught. In 1817, after three years as a part-time teacher, Abigail Fillmore was employed full-time as a teacher. In 1819, she was able to supplement this work by also teaching at the private New Hope Academy, in nearby New Hope. In the summer of 1824, in the town of Lisle, Broome County, some 18 miles from Binghamton, New York, she came to privately tutor three of her first cousins, the daughters of her father's brother Herman Powers. Her professional reputation earned her the invitation to open a private school in Broome County, an offer she accepted. She returned to Sempronius to resume her regular teaching in the summer of 1825.

Physical Appearance:
Five feet, six inches tall, light auburn hair, blue eyes.
Religious Affiliation:
Raised Baptist; married by Episcopalian minister; joined Unitarian Church
Marriage:
30 years old, to Millard Fillmore, lawyer, (born 7 January 1800, undesignated wilderness in Milton Township, Onondaga County, western New York State, died 8 March 1874, Buffalo, New York) on 5 February 1826 in the Moravia, New York home of her brother Cyrus Powers. In 1817 or 1818 Fillmore bought a two dollar share in the small circulating library of a private citizen, Charles Kellogg, that Abigail Powers has been anecdotally credited with helping to organize. In 1819, Abigail Fillmore had first met her husband when he came to enroll for a more substantial education at the New Hope Academy, beyond his brief and rudimentary frontier-school lessons in arithmetic, reading, spelling, and writing. An indentured servant in farming, accounting, chopping wood for lumber and making cloth, he'd been unable to have a continuous education. With a thirst for knowledge and a growing awareness of his comprehensive deficiencies, Fillmore read voraciously - using a dictionary to learn the meaning of words he didn't understand. His poverty and discipline for self-knowledge mirrored Abigail's own experience and ambition. She helped him learn with precision, and on subjects where they both lacked knowledge, they studied together. Abruptly separated when his family moved, Fillmore later realized he had been "unconsciously stimulated by the companionship" of his teacher. Too poor to visit Abigail Powers, they did not see each other for three years but kept in touch by letter. In the interim, he apprenticed to a lawyer, began to teach professionally in the city of Buffalo, and was able to begin a law practice in the nearby town of present-day East Aurora across the street from which he built a home to share with his new wife.
Children:
Two children, one son, one daughter; Millard Powers Fillmore (25 April 1828 – 15 November 1889), Mary Abigail Fillmore (27 March 1832 – 26 July 1854)
Occupation After Marriage:
Public School Teacher, Aurora, New York, 1826-1827:
Abigail Fillmore continued to work as a professional teacher in a public school for more than a year following her January 1826 wedding, until the pregnancy of her first child in the summer of 1827, making her the first First Lady to draw a salary from independent employment as a married woman.
In 1829, Abigail Fillmore remained in East Aurora when Millard Fillmore went to the state capital in Albany, New York to serve a term in the state legislature. During that time, they continued to correspond and Abigail Fillmore began to purchase books of literature, poetry and the classics to build upon his collection of law books at home, the core of what would become their personal library of over four-thousand titles. Two years later, Millard Fillmore returned to practice law in Buffalo, to which they moved from East Aurora. Together, the Fillmores worked on helping to establish a lending library and college in the city. While raising her son and giving birth to a daughter, Abigail Fillmore also continued her pursuit of education by learning a new language - French, a musical skill - piano, and scientific horticulture, cultivating floral species in a conservatory built onto their home. From 1836 until 1842 Abigail lived in Washington with her husband, who was serving as a Congressman, having remained in New York during his initial term from 1833 to 1834. The children were left in New York with relatives and her letters to them during their separation were balanced between academic admonishments and maternal love. Enduring long separations from her extended family often left Abigail Fillmore forlorn. She learned by letter from her daughter in 1838, for example, that her mother had died – and wept through the night at her loss, wishing she had seen her one last time. Washington did afford Abigail Fillmore opportunities she enjoyed. She usually attended sessions of Congress and listened to great debates of the era, paying close attention to the progress of various bills, especially those affecting recess periods when she could return home. While she adhered to the conventions of society, Abigail Fillmore did not take the pretentious very seriously. During a stay in a prestigious Newport, Rhode Island hotel, she found that the crowd was "very fashionable. It is amusing to look on and see the great vanity of costume and the great effort made to rival each other at display…but it does not interest me…I seldom – never go into the parlor." Although she did attend at least one horse race in Washington, Abigail Fillmore preferred museum exhibits, art galleries, theater and concert performances, and most especially lectures. She relished the company of loquacious intellectuals, calling one talk with a theologian "such a mental treat." Equally uncommon for women of her era was Abigail Fillmore's pleasure in physical activity. She enjoyed sea bathing, but despised the "waste of time" necessary for dressing and arriving at the shore. Her health began to slowly deteriorate in 1842 when she badly broke her ankle then failed to let it heal properly. Bed-ridden, then housebound for months, she was unable to continue her vigorous exercise of walking. After two years of using crutches, she was able to walk freely but was never free from pain. To avoid further household duties, she and Fillmore lived in an Albany boarding house when they returned there upon his 1847 election as State Comptroller. By 1848, Abigail Fillmore was experiencing back and leg problems and lung inflammation.

Campaign and Inauguration:
In 1848, Zachary Taylor was nominated as the Whig Party's presidential candidate and Millard Fillmore was chosen as the vice-presidential candidate. Abigail Fillmore seemed indifferent to the outcome, writing her daughter of the nearing Election Day, "It will take place the first Tuesday in Nov. We will send you some peaches on Friday." She did not attend the 4 March 1849 Inauguration and save for a brief April 1850 visit remained in Buffalo, desperately lonely for her son, in Boston at Harvard College, her daughter in local boarding school, and her husband in Washington. Her public role as the Vice-President's wife was limited: although honored when asked to deliver a public speech, she declined, but as the recipient of federal job requests, she passed on those she deemed worthy to her husband. Abigail Fillmore was vacationing with her children at the New Jersey shore when they learned that President Taylor had died on 9 July 1850 and that their husband and father was now President. He briefly joined them there. They all took up White House residence in October.
First Lady:
52 years old
9 July 1850 – 4 March 1853
Contrary to contemporary perceptions, Abigail Fillmore as First Lady was viewed as a bona fide public figure. In fact, she received her first mention in the public press just nine days after President Taylor's death with the unusual distinction of being referred to by her first name. As the Cortland County Express reported on 18 July 1850, in regard to the new President's wife, "In 1826 he married Abagail [sic] - the daughter of the Rev. Lemuel Powers. She no doubt will hereafter preside at the White House." Newspapers and journals gave heavy coverage to the regal green coach with silver and mother-of-pearl mountings and blue silk interiors that was presented to the First Lady as a gift from the citizens of Albany. When the novelist Helen deKroyft of New Orleans visited Abigail Fillmore she asked for her aid in finding an eye specialist to help reverse her increasing state of blindness. The First Lady arranged for her to be seen by specialist Joseph Turnbull who had great success in treating eye ailments. A year later, deKroyft publicized the First Lady's help by permitting her letter of gratitude to be reprinted in a December 1852 issue of the Daily Delta of New Orleans. Abigail Fillmore received a large number of public requests for her intercessions, such as minor patronage or entrance into West Point. As many notes of appreciation to her attest, she was attentive to those citizens who needed her genuine help. In one instance, she helped the fledgling career of a young dressmaker who wrote for her patronage by urging her services to other women in Washington. She even persuaded the President to break his firm opposition to nepotism by obtaining a postmaster position for her brother David Powers. Receiving greater press coverage than her more socially-active and recent predecessor Sarah Polk, Abigail Fillmore may have become part of the larger nation's awareness because technology had so rapidly advanced in four years that the general public were able to see what she looked like in person. A full-length photograph of the First Lady was mass-produced on small, hard paper cards known as carte de visites, analogous to contemporary tourist postcards. They were made available for sale in 1853 at the Washington, D.C. studio that made the original photograph. Highly conscious of her public appearances, she hired a maid who also fancily dressed her hair, and a seamstress whose work made Abigail Fillmore the first First Lady to wear clothing created with the aid of the relatively new invention of the sewing machine. Another factor in the public's growing consciousness of the First Lady role was the reported presence of Abigail Fillmore with the President at public and official ceremonies, such as his receiving a delegation of Sioux Indian leaders, following a treaty-signing, an event at which she was the only woman present. Such public exposure ran counter to the era's prevailing idealization of a wife as a purely private person whose domain was strictly domestic. "I think if I were a lady, and my husband should become president," her nephew wrote Abigail Fillmore, "I should run away."
Abigail Fillmore hosted the open house New Year's receptions on New Year's Eve in 1850 and 1852. She received callers in proper social protocol on Tuesday mornings, hosted public receptions on Friday nights, held large formal dinners on Thursdays and small intimate dinners on Saturday nights. The First Lady took an active interest in the popular cultural entertainment of the era. She attended both of the famous singer Jenny Lind's Washington concerts in December 1850, as managed by the famous show promoter P.T, Barnum, then invited them both to the White House to talk. In 1852, she attended the concerts of Maria Alboni and Henrietta Sontag, two of the most famous prima donnas of the mid-19th century. Of the various singers, musicians, artists and writers that she entertained, Abigail Fillmore seemed to derive her greatest pleasure in befriending her guests, authors Washington Irving, Charles Dickens and William Makepeace Thackeray. The famous work by Thackeray, Vanity Fair, was claimed to be her favorite contemporary novel. The Fillmores were later credited with having installed a steam-heated iron cooking range for the kitchens and a bathtub in the White House. They may have placed the initial order for the cooking range, since one was installed in 1854 under Pierce and had the rudimentary plumbing extended to the family bathroom, renovated in the fall of 1853, but there is no documentation to support either claim.
The innovation most frequently attributed to Abigail Fillmore was the newly-created White House library in the second floor oval room; however, there exists no documentation to justify the complete credit for this to her. The claim that her shock upon coming to the White House and finding no library prompted her to urge the President to seek federal funding for one is chronologically impossible, even if perhaps her true sentiments in retrospect. Abigail Fillmore had not yet come to the White House when, on 1 September 1850, the President received a response from the Librarian of Congress to his August inquiry of an estimate for a reference library ($2,500) or on 6 September 1850 when such funding was first proposed to Congress and rejected. Also false is the claim of her expressing displeasure over the rejection to Congressmen at a 14 September 1850 dinner, or their suggestion she seek funding to create one. She was still up north on 23 September 1853, when President Fillmore appealed to Congress and Senator James A. Pearce, Chairman of the Joint Committee on the Library [of Congress], successfully pushed through a $2,000 appropriation in the first session of the 31st Congress. She was present in the second session when a subsequent one for $250 was approved. Although their White House correspondence is now lost, it can be speculated that the new First Lady might have suggested her husband seek federal funds for a library in response to a possible letter in which he may have first reported that there was none. Harriet Haven, wife of Fillmore's law partner and friend to his wife, reported: "She was accustomed to be surrounded with books of reference, maps, and all the other acquirements of a well-furnished library, and she found it difficult to content herself in a house devoid of such attractions. To meet this want, Mr. Fillmore asked of Congress and received an appropriation." What is unclear is whether the President was asked or simply inspired by what he assumed Abigail Fillmore would wish. To a later acquaintance, James Grant Wilson, Fillmore would vaguely credit his wife with the library. Choosing and purchasing the books are tasks also incorrectly assigned to Abigail Fillmore. This job was done by Charles Lanman, librarian, author and personal secretary to Secretary of State Daniel Webster. He recorded that: "When Congress made the first appropriation for furnishing the President with reading matter Daniel Webster suggested to Mr. Fillmore that the duty of making the proper selection should be assigned to me." He asked the President for the job in a 26 November 1850 letter and further stated that Smithsonian Institution scientist Joseph Henry would chose the scientific books. In a 4 December 1850 meeting, Fillmore gave Lanman the go-ahead. "I made extensive purchases, according to my own judgment, in New York & Boston," he recalled. On 12 December 1850, Lanman gave the President the list of books he bought from Boston publishers Little & Brown, including works by Goldsmith, Milton, Adam Smith and The Library of American Biography volumes. From New York publisher, Lanman bought works by Washington Irving and Plutarch. He further obtained about 2,500 copies of federal government publications. Lanman does not mention the First Lady in any of his recollections. She was later credited with having specifically ordered works of Dickens, Thackeray and Hawthorne, but no such titles are on Lanman's list or a larger one of those books that were bought. The First Lady did transform the room, ordering for it three custom bookcases on 27 January, 1851 from William M. L. Cripps, and two more on 30 August 1851. Given her own history of creating a loaning library in Sempronius and then a circulating library in Buffalo, it is hard to disassociate Abigail Fillmore with a certain influence in creating the library, however much lacking documentation. Her nephew Cyrus Powers, Jr. was so influenced by her that he amassed the largest private library in central New York State and created a trust to have it established as an important research library in his hometown of Moravia. On social and political issues during her tenure, only informed speculation can surmise her opinions and efforts to influence the President on important policy. A friend quoted the President as saying he "never took any important step without her counsel and advice," and a reporter called her "remarkably well informed" on political issues her husband faced. Abigail Fillmore did not seem to endorse Sarah Polk's ban on hard liquor or any public temperance movement. Although she had wines and liqueurs served to guests, there is no record that she either drank or abstained from spirits. Certainly her absolute belief in a woman's right to equal access to high educational opportunities and their capacity to succeed at all intellectual pursuits might suggest she supported the general principals of the 1845 Seneca Falls Women's Rights convention. From both her moral beliefs and her regional culture and as reflected in a letter from a cousin, Abigail Fillmore opposed slavery, but it is not clear whether she was an avowed abolitionist. A later account by William Elliott Griffis, her husband's biographer who had the opportunity to interview many who knew the Fillmores, affirms that Abigail Fillmore urged the President to veto the Fugitive Slave Law which required that runaway slaves be returned to their owners, even if they had crossed into free states. The specific claim was that Abigail Fillmore warned that if he signed it, he would not receive the Whig Party nomination for the presidency in 1854. He did sign the bill and was not nominated. Since they were apart when he signed it, her advice may have been in a letter no longer extant. It was also likely to be less "political advice" and simply her moral opinion and prediction. It was Griffis who also credited Mrs. Fillmore with successfully convincing the President to end the U.S. Navy practice of flogging.
Living in the White House with the President and First Lady were their two children. Mary Abigail "Abbie" Fillmore frequently appeared at public events with her mother, serving as a supplemental hostess. Neither woman, however, had any intention or perception of it as a matter of "First Daughter" substituting for "First Lady." In one documented instance, a late February 1851 dinner, Abbie Fillmore acted substituted as official hostess, her mother absent due to her sister Mary's death in Ohio. Senator Edward Everett described Miss Fillmore in this role as "a pretty modest, unaffected girl of about twenty, as much at ease at the head of the presidential table as if she had been born a princess." Signing her name as "Abbie," the Fillmore daughter spoke French, German, Italian and Spanish. She was equally versatile as a musician, frequently performing in the White House library for her mother's pleasure or to entertain special guests, whether on her harp or guitar or the First Lady's piano.
Abbie Fillmore was only six when she was separated from her parents who went to live in Washington with her father's election to Congress. She was cared for by her maternal aunt Mary while her parents were in Washington. When her daughter expressed a longing to be united with her parents and brother, Abigail Fillmore advised her to use the time to focus on her education: "I know your fondness for study and anxiety to obtain knowledge and this will absorb your mind that you will have less time to dwell on home." Abigail Fillmore consciously sought to balance her parental advice with an enlightened sense of respect for her daughter as a young woman: "I shall be very happy to do anything for you that I can to give you a perfect education, and adorn you with every grace that the best teachers and the best society can confer for I love my little daughter very much and am very anxious to gratify her in everything that is proper, presuming that she will ask for nothing less." She was early on an expert at geography, encouraged by books and maps sent by her parents. She was also an accomplished and fearless horsewoman, often going for lengthy, vigorous rides in the countryside. Abigail Fillmore encouraged her daughter's love of literature and music, but never at the expense of a thorough intellectual education. Abbie Fillmore left the Lenox Institute for Girls in Massachusetts in the fall of 1848. The following year, uninfluenced by even her father's anti-Catholic sentiments, Abbie Fillmore joined seventeen students at the new "Buffalo Academy for Young Ladies." Established at the Sherwood House on Lake Erie by the city's first Roman Catholic Bishop under the aegis of the Vincentian order, the instructors were nuns of the Sacred Heart School in Manhattanville, New York. The Vice President's daughter, one of the four students to board there, and one of eight who were non-Catholic attended religious services every morning in the makeshift chapel. Her mother soon after arranged for her to attend the state Normal School first as a sort of graduate student after and then to teach there "for a living." As Mrs. Fillmore wrote Abbie, "I am glad to see young girls think they can be useful." She had planned to share a room with two roommates but took her mother’s advice to board in a private home in a room by herself, and put up a screen in front of her desk so she could remain undistracted in her studies. Those plans were cut short when her father unexpectedly became President and she moved to the White House in October of 1850.
Upon leaving the White House and her mother's death, Abbie Fillmore assumed responsibility for her father's household at their Buffalo home on Franklin Street. She became his companion at the few public events he attended in Buffalo, but her most famous appearance was during the "Grand Excursion" of June 1854. Organized to publicize newly created transportation links between railway and steam boat travel, she was among several hundred prominent citizens in business, academia, politics, the clergy and the arts to go from Chicago to Rock Island, Illinois by rail, then to St. Paul, Minnesota Territory and back by steamboat. Along the way were tours of lead mines and endless speeches with former President Fillmore as the lead figure. Covered by large eastern newspapers, the event especially celebrated the natural beauty of the upper-Midwest. The scenic wonder was captured in June 7 accounts from Trempealeau, Wisconsin where Abbie Fillmore made a dramatic and swift climb to a bluff on horseback, the very image of a healthy and adventurous American girl. Only seven weeks later, while visiting her grandfather in East Aurora, Abbie Fillmore contracted cholera and died in one day. The loneliness caused by her death was cited as a reason Fillmore returned to politics and remarried.

After the White House:
Planning an extensive tour of the American South in the weeks following their departure from the White House, Millard and Abigail Fillmore moved to a suite at the nearby Willard Hotel. Within days, her lingering cold developed into pneumonia. To prevent her lungs from swelling with liquid, her bed was leaned nearly upright but her condition worsened and she died. In a 4 April 1853 letter, Washington Irving wrote a friend, "I almost think poor Mrs. Fillmore must have received her death warrant while standing by my side on the marble terrace of the Capitol, exposed to chilly wind and snow, listening to the inaugural speech of her husband's successor." Coming just twenty-four days after she left her role as First Lady, Abigail Fillmore's death was more widely reported in detail, along with praiseful obituaries, than that of any of her predecessors. Both Congress and the President's Cabinet adjourned in mourning.

Death:
55 years old, 30 March 1853 Washington, D.C.

Buried,
West Lawn Cemetery, Buffalo, New York

Five years after the death of Abigail Fillmore, her husband married again. His second wife, Caroline Carmichael McIntosh Fillmore was born 21 October 1813, in Morristown, New Jersey, the daughter of Charles Carmichael and Temperance Blachley. She was the widow of Ezekiel C. McIntosh. Former president of the Troy Schenectady Railroad and a prosperous Troy merchant, he left her an extremely large financial inheritance. Prior to their 10 February 1858 marriage in her Albany mansion, she required Millard Fillmore to sign a prenuptial agreement that stipulated he could manage but not disperse her estate if he survived her. They lived together for sixteen years with his bachelor son in a Gothic mansion on Niagara Square in Buffalo. Contemporary accounts show her as nervous and eccentric, and one letter suggests she was alcoholic. Caroline Fillmore survived the former president for seven years and was awarded a presidential widow's pension and franking privilege by Congress. She died on 11 August 1881 and is buried alongside her second husband, his first wife and their two children.

Kennedy-genen


(CNN) -- Caroline Kennedy, the 51-year-old daughter of President John F. Kennedy, has indicated her interest in filling the New York Senate seat being vacated by secretary of state designee Hillary Clinton.

Caroline Kennedy has her eyes on the New York Senate seat.

"I've talked to Caroline Kennedy and she's clearly interested," New York Sen. Chuck Schumer said at a news conference Monday afternoon.

He indicated that 12 people were interested in the position.

"She's interested in the position," New York Gov. David Paterson confirmed. But at the same time "she realizes it's not a campaign." Paterson, who will name Clinton's successor, noted that Kennedy had indicated a desire to "sit down and tell me what her qualifications are."

The Rev. Al Sharpton also released a statement Monday indicating that he had received a call from Kennedy "who expressed to me her interest in [Clinton's] Senate seat."
Kennedy's interest in the seat could mean the continuation of a family legacy in the Senate that began 56 years ago with the election of her father as the then-junior senator from Massachusetts.
Background: The Kennendys in Politics »
Her uncle Ted Kennedy has represented Massachusetts in the Senate since 1963, and her uncle Robert Kennedy served as New York's junior senator from 1965 until he was assassinated in 1968.
Hele verhaal

Post van Iens

************************************
Check: http://www.iens.nl/igoogle.htms

De IENS restaurantzoeker maakt het mogelijk om te zoeken op basis van Google maps. Dit als voorloper op nieuwe functionaliteiten op de website zelf
Hij toont altijd de Top-10 in het getoonde gebied en omdat je zoekt mbv een kaart zal de top10 anders zijn dan die op de iens.nl site getoond wordt.

Hoe werkt het?
Selecteer een Stad om meteen naar de kaart van die stad te gaan. Zoom vervolgens in en zie de top 10 zich aanpassen aan het gebied/de wijk die je ziet in de Google maps. Gebruik de dropdown-lijst om de restaurant selectie te veranderen en kies tussen Beste eten, Beste service en Mooiste plekjes.

Klik op een nummer om de restaurant contact gegevens te zien en klik dan door naar de http://www.iens.nl/ website om de volledige restaurant pagina te zien.

15 december, 2008

........van het jaar


Nominaties, verkiezingen, prijzen in alle soorten en categorieën. Ze tekenen het einde van een jaar.

De week van het jaar, de dag van het jaar, de minuut van het jaar, de sporter van het jaar, de cd van het jaar, de leukste grap, het slechtste tv-programma, beste blablabla, de slechtste blablabla.
Ze kunnen volgens mij iedere Nederlander wel tot "een beste of slechtste blablabla" uitroepen.

Vandaag werd Wouter Bos weer gelauwerd. Dit keer door collega's en kijkers van Eén Vandaag.

Terecht?

Ik zeg, "ja maar..................................."

Wouter Bos pakt de kredietcrisis voortvarend aan. Zegt men.
Is het niet wat vroeg om daar nu al een oordeel over te vellen? We moeten de recessie nog binnenstappen.

Waar was Wouter Bos toen ING en AAB serieus aan de onderhandelingstafel zaten?

En waar was Wouter Bos een jaar geleden? Bij de overname van AAB door Fortis.

Iedereen wist dat de Belgen regelrecht door hun rug gingen.
Hollanders pesten.
De Belgen waren rancuneus. Dat met de Generale zat ze nog dwars.

Ondertussen ging ABNAmro pijnlijk door de versnipperaar. Een snippertje naar Deutsche Bank, een snippertje naar RBS,..........................
Het kabinet keek toe. Miljarden down the drain.

Had Wouter Bos zich er toen wel mee bemoeid, dan was Wouter Bos nu niet "politicus van het jaar" geworden.

12 december, 2008

Miele

******************
Hè wat heerlijk dat ik weer iets positiefs op consumentengebied kan schrijven.

Mijn Miele droger haperde.
Dus belde ik de klantenservice. Er werd een afspraak (op niet te lange termijn) gemaakt.
Keurig.

Tussen 7.45 en 9.15 uur kon ik de monteur verwachten.
Die belde om 9 uur dat hij in de file stond en dat het dus iets later zou worden.
Keurig.

Om half 10 was hij er. Met de machine was technisch niets mis.
Gelukkig.

Wel zat de condensor propvol stof. De boel werd schoongemaakt en de monteur legde mij ondertussen van alles uit. Ik wist niet eens waar de condensor zat, laat staan dat die schoongemaakt moest worden.
Vervolgens checkte hij de droger op eventuele andere mankementen.
Keurig.

Ik vertelde hem dat er in april ook een monteur was geweest. Dezelfde lampjes flikkerden, maar toen lag het aan het slot.
"Heeft hij U toen niet uitgelegd hoe U de condensor moet reinigen?" Het klonk verontwaardigd.

Ik schudde nee en gaf eerlijk toe dat ik ook niet zo ver was gekomen in de gebruiksaanwijzing.
Dat begreep hij wel.

De aprilmonteur was weliswaar ook aardig, zo consciëntieus als de decembermonteur was hij niet (geweest).

Toen het machientje weer als een droog zonnetje draaide kwam de laptop tevoorschijn. De Miele monteurs zien er niet alleen picobello uit, ze zijn ook uitgerust met de meest geavanceerde apparatuur.

Terwijl mr. Miele een éénmalige machtiging prepareerde adviseerde hij me contact op te nemen met de klantenservice. Hij kon zelfs de rapportage uit april nalezen op zijn laptop.
"Ik vind dat U toen niet goed bent voorgelicht."
Keurig.

Zijn advies heb ik opgevolgd.

De klantenservice zou het verder onderzoeken en er vandaag op terugkomen. Dat ik de gebruiksaanwijzing (6 jaar geleden) niet volledig had gelezen werd door de vingers gezien.

Vandaag kwamen ze hun afspraak weer na.
Keurig.

Ik krijg voorrijkosten plus BTW terug: toch nog zo'n € 58,-.
Jofel.

Miele. Laat je (ook) niet in de steek.